Ouderreis Stanislascollege Delft
 

Grafrede van Perikles

Thucydides II (34 - 42): uit de grafrede die Perikles hield in de winter van 431

Arthur leest op de Pnyx in Athene deze tekst voor

37. De bestuursvorm van onze stad hebben we niet ontleend aan onze buursteden. Wijzelf zijn eerder een voorbeeld voor anderen, dan dat wij hen imiteren. In onze stad berust de macht niet bij weinigen, maar bij velen, en daarom wordt onze bestuursvorm “democratie” genoemd. Voor de wet heeft iedereen dezelfde rechten als het gaat om onderlinge geschillen. En als we moeten bepalen wie het meest geschikt is om een openbaar ambt te vervullen, kijken we niet naar sociale klasse, maar vooral naar persoonlijke kwaliteit. Ook armoede is geen bezwaar, want als iemand op een of andere manier voor de ge-meenschap iets kan betekenen, wordt hij daarin niet gehinderd door gebrek aan aanzien. In vrijheid nemen wij deel aan het bestuur van de stad en in vrijheid staan wij tegenover elkaar in de dagelijke omgang. We winden ons niet op, als onze buurman iets doet, zoals hem dat bevalt. We worden ook niet onvriendelijk tegen hem, een houding die wel geen schade toebrengt, maar toch onplezierig is. In het persoonlijke leven gaan we verdraag-zaam met elkaar om en zonder aanstoot te geven en in het openbare leven handelen we niet in strijd met de wet, vooral omdat we respect hebben voor de wet. We gehoorzamen hen, die op een bepaald moment het gezag uitoefenen en we houden ons aan de wetten en gebruiken, in het bijzonder aan die welke de slachtoffers van onrecht beschermen en aan de ongeschreven wetten, waarvan het als schande geldt ze te overtreden.

38. We hebben ook gezorgd voor talloze vormen van geestelijke ontspanning na het zware werk. We houden wedstrijden en offerfeesten, verspreid door het jaar, en we richten onze huizen aantrekkelijk in. Dat geeft ons vreugde en zo verdrijven we onze zorgen. En doordat onze stad zo machtig is, komen alle dingen uit de hele wereld hierheen. Wij verkeren in de situatie dat we het even vanzelfsprekend vinden te genieten van wat andere landen te bieden hebben, als van de rijkdom van eigen bodem..

39. Ook voor militaire kracht zorgen wij op een heel andere manier dan onze tegenstanders. Ik zal u zeggen wat de verschillen zijn. Onze stad stellen wij open voor iedereen en het gebeurt nooit dat we een vreemdeling de stad uitzetten om hem te verhinderen iets te leren of te zien, waarvan een vijand voordeel zou kunnen hebben. Wij stellen ons vertrouwen namelijk niet in de eerste plaats in hulpmiddelen en krijgslisten, maar in de moed die uit onszelf voortkomt als we moeten vechten. Anderen oefenen zich van jongs af aan onder strenge discipline in dapperheid. Wij leiden een vrij leven, maar als de kansen gelijk zijn, zien wij de risico’s van de strijd toch niet minder vastberaden onder ogen. ..... Nog nooit heeft een vijand overigens met onze volledige militaire macht te maken gehad. Wij verdelen immers onze aandacht over de vloot en tegelijkertijd de vele expedities die we over land uitsturen. Onze vijanden vechten wel eens met een onderdeel van onze strijdmacht. Als ze dan een aantal van onze soldaten verslaan, scheppen ze erover op dat ze ons allemaal hebben verjaagd. Als ze het gevecht verliezen, doen ze alsof ze het tegen ons allemaal samen hebben moeten afleggen. Wij nemen het leven gemakkelijk op en we onderwerpen ons niet aan zware trainingen. Toch zien we gevaren moedig onder ogen, niet zozeer omdat de wetten ons daartoe dwingen, maar omdat het past in onze levensstijl. Zo hebben we het voordeel, dat we het ons niet al bij voorbaat moeilijk maken om narigheid die nog moet komen. Maar als het zover is, tonen we ons niet minder moedig dan onze vijanden, die zich steeds maar aftobben. 40. We houden van schoonheid, maar zonder overdrijving; we streven naar wijsheid, maar zonder zwakheid. Rijkdom zien we als een kans om iets tot stand te brengen, niet reden om op te scheppen. We rekenen het niemand aan, als hij voor zijn armoede uitkomt, maar alleen, als hij niets onderneemt om aan zijn armoede te ontkomen. Hier houdt men zich niet alleen bezig met zijn eigen belangen, maar tegelijkertijd ook met het bestuur van zijn stad. Zelfs mensen die zich vooral bezighouden met zaken, zijn ook volledig op de hoogte van de politiek. Daarin verschillen we van andere mensen. Als iemand geen enkele belangstelling heeft voor de publieke zaak, zeggen we niet: ‘hij is een rustige burger’, maar: ‘hij is een nietsnut.’ We beslissen zelf over zaken van algemeen belang en anders denken we er in elk geval goed over na. Wij denken niet dat discussies schadelijk zijn voor ons handelen, maar dat het juist schadelijk is als we niet eerst overleggen en ons op de hoogte stellen van de feiten voor we tot handelen overgaan. Ook dat is iets waarin we anders zijn dan anderen: we durven grote risico’s te nemen, maar voordat we iets ondernemen denken we er bijzonder goed over na. De meeste mensen brengt onwetendheid tot durf en nadenken tot aarzeling. Wie volkomen helder onder ogen ziet welke bedreigingen en welke zoete vruchten een actie kan opleveren, maar er daarom nog niet voor terugschrikt het risico te nemen, die toont de meeste moed, zo zou men met recht kunnen zeggen. Ook in onze goede betrekkingen met anderen is onze houding precies tegengesteld aan die van de meeste mensen. Onze vrienden zijn niet degenen die ons goed behandelen, maar degenen die door ons goed worden behandeld. Door weldaden te bewijzen wordt vriendschap alleen maar hechter, want als iemand ons ergens dankbaar voor moet zijn, willen we dat hij ons dankbaar blijft en daarom blijven we hem tonen hoe goed we hem gezind zijn. Maar als we iemand dank verschuldigd zijn, zullen we minder enthousiast zijn. We weten immers dat alles wat we voor hem doen, alleen maar beschouwd zal worden als het nakomen van een verplichting en niet als iets om dankbaar voor te zijn. Wij handelen niet uit angst, maar we vertrouwen op onze vrijheid.

41. Kortom, mijn stelling is, dat onze stad in al haar facetten een leerschool is voor Griekenland. Ik ben ervan overtuigd dat wij allemaal en ieder van ons afzonderlijk ons geheel zelfstandig weten te redden op de meest uiteenlopende terreinen van het leven. We doen dat op een elegante manier en we passen ons aan als dat nodig is. Dat is geen mooipraterij, passend bij de gelegenheid, maar feitelijke werkelijkheid. Het bewijs daarvoor is de macht van onze stad. Die macht hebben we juist door deze eigenschappen verworven. ... Grote daden hebben we verricht als teken van onze macht en velen zijn er getuige van geweest. Onze tijdgenoten bewonderen ons daarom en dat zullen ook zij doen die na ons komen. Wij hebben geen Homeros nodig om onze lof te zingen, geen dichter die zijn verzen aan ons wijdt. Op het moment dat men zulke poëzie hoort, is dat aangenaam, maar de indruk die daaruit ontstaat, blijft achter bij de werkelijk-heid. ledere zee en ieder land hebben wij gedwongen ruimte te bieden aan onze durf. Door de zichtbare tekens die wij overal hebben opgericht, zal men nooit vergeten hoe we onze vijanden hebben getroffen en onze vrienden begunstigd. Nu weet u over wat voor stad we het hebben. Deze mannen hadden de edele overtuiging dat ze zich zo’n stad niet mochten laten ontnemen. Voor die stad hebben ze gevochten en zijn ze gestorven. Ook wij die zijn achtergebleven moeten bereid zijn ons volledig voor haar in te zetten, en dat geldt voor ieder van ons.

42. Daarom heb ik ook zo uitvoerig over onze stad gesproken. Ik wil u duidelijk maken wat er voor ons op het spel staat. Wij hebben meer te verliezen, dan mensen die niet zo’n geweldige stad hebben.

 
teksten/grafrede_van_perikles.txt · Laatst gewijzigd: 2006/05/10 21:19 door luc
 
Recent changes RSS feed Creative Commons License Donate Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki