Ouderreis Stanislascollege Delft
 

Agamemnon komt thuis

Uit Aischylos, Agamemnon (458 v.Chr.): Agamemnon komt thuis.

Marcel en Monique lezen deze tekst op de burcht van Mykene

AGAMEMNOON
Eerst groet ik Argos en de goden van zijn grond
die ‘n goede zaak van ‘n slechte onderkennen
en ons ongedeerd in veiligheid loodsten.
Hun vonnis werd voltrokken door mijn handen,
en het hoog Troje brak.
Wij waren de uitvoerders, niet van een mensenoordeel;
de goden zelf ontzegden hun genade
aan deze hondse stad met zijn verweeklijkt ras.
Zij bestaan niet meer.
Het Griekse monster heeft de stad verpulverd.
Een paard, zwanger van gewapende soldaten
sprong over de muren als een leeuw
en dronk zich zat aan het bloed van Trojanen.
De rook van haar verbranding stijgt nog op,
voert hun geparfumeerd genot en klatergoud af
in een storm van as.
De Goden deden dat. En ik. En nu jullie.
Van wat gezegd werd: vooral de laatste woorden
herinner ik mij.
Ik weet hoe vals vrienden kunnen zijn.
Zeer weinigen is het van natuur gegeven
om zonder afgunst blij te zijn
als het hun vrienden goed gaat.
Want een kwaadaardig gif hecht zich in ‘t hart
dat ziek maakt, en de pijn verdubbelt, van hen,
aan wie ‘t succes van anderen het eigen falen toont.
Ik weet waarover ‘k spreek,
ik ken het menselijk oog,
ik ken de spiegel waarin zich vriendschap spiegelt
als een schim, een schijnsel, een schijn van kameraadschap.
Wat nu betreft het land, ik ben van plan
de Raad bijeen te roepen
en de orde te herstellen.
Uitwassen zijn gegroeid
waarvoor een omzichtig mes of gloeiende stift vereist zijn.
Ik ga nu mijn huis binnen, zetel van ‘t koningschap
en moge mijn triomf mij eeuwig vergezellen.

KLYTAIMNESTRA
U allen zult, dat weet ik,
mij vergeven als ik niet ingetogen lijk
en openlijk mijn liefde toon voor hem,
naar wie mijn hart uitgaat;
het heeft zolang geduurd,
en ‘k ben niet goed in veinzen.
Wat kan een vrouw doen? De wereld van de man
is voor hem belangrijker dan haar liefde.
Maar ‘k denk nu niet aan mannen of aan vrouwen,
ik denk aan wat er omging in mijn hart
toen deze man van huis was;
ik denk aan alle tranen die ik schreide
aan nachten, zwart van angst
en dagen grauw van verschrikking.
Weet je hoeveel boden hier zijn geweest die zeiden
je gebeente lag in de grond onder de wal van Troje.
Bode na bode kwam, en elke tijding erger dan de vorige,
het leed uitschreeuwend over ‘t huis.
Als mijn man zoveel wonden had opgelopen als gemeld werd,
dan was geen net zo vol met gaten
als hij wonden droeg.
Hij zou meer doorboord zijn dan een zeef,
zo vaak was hij gestorven.
Weet jij hoe vaak ik mij verhing,
en afgesneden werd door geschrokken slaven
en verder leefde?
Tot ik geen tranen over had, en mijn hart opdroogde?
Weet je hoe het is, in een stad zonder koning?
Zwervers, sluipmoordenaars,
ruziezoekers, ondermijners van ‘t gezag
bot-knauwende nacht-hyena’s duiken op,
en maar een vrouw, alleen, om ze af te slaan.
Dat is ook de reden dat je zoon Orestes
niet naast mij staat om zijn vader te ontvangen.
Ik heb hem veilig uitbesteed, ver weg in Phokis,
een oude vriend van je nam hem daar op,
weg uit deze nachtmerrie.
Maar nu! nu is alles anders, de koning is terug,
de zon schijnt weer;
de aarde drinkt jouw koningschap als milde regen in.
De muren van ons huis, deze bedaagde toren,
staan hoog-op van vertrouwen.
Kom, mijn lief,
ga binnen
eis het loon dat je zo ruim verdient.
Wacht nog!
Het past niet
dat een man wiens voet
gewijd werd om Troje te vertrappen
zou lopen over de naakte onbedekte grond.
Kies een pad van purper tot in het huis
dat onze grote koning wandelen mag,
waar ‘t Recht hem voert,
naar ‘n welkom dat hij niet verwacht had
ooit nog te beleven.

AGAMEMNOON
Jij, bewaakster van mijn huis,
je sprak haast net zo lang als mijn afwezigheid.
Diep ben ik overtuigd hoezeer je mij gemist hebt.
Maar vlei mij niet als ‘n decadente vorst die
vleierij opzuigt en verwekelijkt achterover leunt
in zijn afgodszetel. Dat verdraag ik niet.
Ik ben soldaat, huldig mij als generaal,
die eer neem ik graag aan.
Ik ben koning, dus ik heers en ik gelast,
maar ik ben ook mens, en kan de grond betreden
als ieder ander mens.
Die fraaie lopers met mijn voet bevuilen,
vasttrappen in het slik en ze misbruiken
voor eigen roem,
dan is ‘t alsof ik - als een god -
mijzelf aanbidden zou
en dat is hooghartig;
spugen in het gezicht van echte goden,
de grenzen van mijzelf te buiten gaan
is spotten met de goddelijke kosmos
en vragen om vergelding;
die, onafwendbaar, komt.

 
teksten/agamemnon_komt_thuis.txt · Laatst gewijzigd: 2006/05/13 22:42 door luc
 
Recent changes RSS feed Creative Commons License Donate Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki